Eind goed, al goed

Het einde van de viering kun je vergelijken met het begin, wat de eisen van de zang betreft. Hebben we indertijd uiteengezet, dat bij het begin een goede intredezang, vooral in de vorm van samenzang, nodig is om gemeenschap te vormen, om de aanwezigen een gevoel te geven dat ze niet alleen als individuen, maar ook als groep bij elkaar horen, aan het einde geldt datzelfde. Nu niet naar het begin van de viering toe, maar naar het weer uiteengaan. Nog een keer onderstrepen we wat er in de viering allemaal is gezongen en beleden, wat we gezamenlijk hebben gevierd. Daartoe dient de slotzang. En wat is er dan beter, dan dat heel de gemeenschap in dialoog met de priester dit duidelijk laat horen? Daarom is dit een oproep tot het zingen van de slotritus.

Jubilate 21, 2 (mei 1988)

Fr. Nico Wesselingh O.S.B.

Niet moeilijk

Misschien denkt u nu: niet zo moeilijk doen. Maar mag ik er u op wijzen dat het helemaal niet moeilijk is? De priester aan het altaar slaat gewoon pagina 1405 van het Altaarmissaal op. Daar staan alle benodigde noten. De gelovigen vinden in Gezangen voor Liturgie onder nummer 341 precies dezelfde melodie (zie voorbeeld). Drie keer doen, en iedereen kent het al.einde_viering

Variatie

In de Altaarmissaal staan ook enkele varianten; de zegen zoals die door een bisschop wordt gegeven; de zegen op hoogtijdagen zoals Kerstmis en Pasen. En wie nog meer variatie wil, kijke nog eens in ons onvolprezen G.v.L. Onder no. 342 staat een melodie voor de slotformule van J. Vermulst. En aan het einde van 343 was zelfs nog een klein stukje ruimte om de formule met dubbel Alleluia voor de Paasweek af te drukken.

Opmerkenswaard

Er is een reden waarom de melodie van Floris van der Putt (zie muziekvoorbeeld) zo goed werkt: het slot-Amen is verdubbeld. Dat geeft het gelovig hart de mogelijkheid om zich even uit te zingen, kort maar krachtig. De melodie stijgt bij het tweede Amen naar een soort dominant en blijft daarop staan. Moet je dat een goed gevulde kerk horen zingen, ondersteund door een goede orgelbegeleiding! Echt een afsluiting, een onderstreping. Je weet dan dat je iets gevierd hebt, samen met anderen.einde_viering2

Hoogfeesten

Zoals hierboven door Cees Janssens al is aangeduid, geefi het Missaal nog een twintigtal plechtige teksten voor de zegen. Bestemd voor bepaalde feestdagen. Wij drukken er hier een van af. U vindt hem met tekst en melodie in G.V.L., en wel onder nummer 343. Ziet u dat de zegenformule, hier voor Pasen, een drievoudige geworden is? Dat is steeds zo met die plechtige zegens. Na elke formule wordt ‘recto tono’ door allen Amen geantwoord. Na de derde formule komt dan de gewone zegen, zoals we die hierboven ook al zagen. In het Altaarmissaal staat ook nog met melodie afgedrukt de zegen voor Kerstmis. U vindt die op bladzijde 1407. De andere achttien zegens staan er niet in. Maar eerlijk gezegd lijkt me dat ook niet nodig. Het gaat steeds om dezelfde elementaire melodische formule en hetzelfde antwoord. Misschien kan uw pastoor dat zelf op deze formule passen. En voelt hij zich daartoe niet bekwaam, dan ligt hier een duidelijke taak voor de dirigent.

Voor Pasen (en eigenlijk voor de hele Paasweek) is de afsluiting bedoeld met het dubbele Alleluia, zoals we dat nog kennen vanuit de Gregoriaanse traditie. Goed bruikbaar, al vind ik het accent in het antwoord (God zij dank gebrácht) letterlijk en figuurlijk misplaatst. Wij zingen al jaren: Dank aan God de Héer, en dat sluit beter aan bij de melodie. De uitdrukking is zo duidelijk dank brengen, dat je dat accent niet zomaar kunt verplaatsen. ###Toegift
In mijn jonge jaren ging er geen Zondagse Hoogmis voorbij, of het koor zong aan het slot een motet of iets dergelijks. De priester knielde dan met de misdienaars, na het laatste evangelie of na het Domine salvum fac, op de onderste trede. En de ‘beminde gelovigen’ deden hetzelfde, op die paar na, die altijd al bij het begin van het laatste evangelie de kerk verlieten. Later heb ik begrepen dat dit een particulier gebruik was van een dorpsparochie.

Het zou nu niet meer passen om dat na de zegen en de wegzending te doen. Cees Janssens zegt dat hierboven ook duidelijk. Maar er is nog een andere mogelijkheid: tussen het gebed na de communie en de zegen. Ik zou er overigens voor willen pleiten om dit gebruik voorzichtig eens uit te proberen. Als het koor echt iets in zijn mars, of in zijn repertoire heeft, kan het daar iets kwijt. Vooral als zo’n motet duidelijk rekening houdt met de liturgische tijd. Hoor je niet vaak, dat het koor vindt dat het te weinig aan zijn trekken komt in de vernieuwde liturgie? Hier ligt dan een mogelijkheid. Als er goed gezongen wordt, en vooral: als het niet te lang duurt, hebt u kans van slagen, bijvoorbeeld op hoogfeesten. Ik voorzie alleen moeilijkheden als bij u de meest opvallende trent in de parochiële liturgie is: haast. In sommige kerken is er een soort existentiële angst dat het te lang zou duren. Niemand maakt Zondags haast, het is immers een rustdag. Maar in de liturgie schijnt bij sommigen haast de eerste stem te zingen. Ik ben ervan overtuigd dat de gelovigen van zich niet zo haastig zijn… als de liturgie maar goed verloopt en de onderdelen zonder haperen in elkaar grijpen. Wel duidelijk afspreken met de celebrerende priester, want hij moet dan de zegen en wegzending pas verrichten als de zang van het koor beëindigd is.

Organist

Zo ingericht, kan het einde van de viering toch de nodige allure krijgen. En natuurlijk wordt van de organist verwacht dat hij bij het weggaan van de celebrant en diens assistenten en bij het weggaan van de gelovigen een goed stuk laat horen. In de orgellitteratuur bestaan vanouds veel stukken onder de titel Sortie. Dat betekent gewoon: Compositie om te spelen als de mensen de kerk verlaten. Sommige organisten klagen dat de mensen niet blijven zitten om tot het einde naar hun spel te luisteren. Maar dit moment is geen concert-moment, maar een moment waarop de organist een handeling begeleidt: het heengaan.

Zo wordt het echt: eind goed, al goed. Realiseer ik me nu, dat dit gezegde naar ik hoop ook van toepassing mag zijn op de stukjes die Cees Janssens en ondergetekende nu al ettelijke jaren voor u geschreven hebben. We hebben er zelf ook wel iets van geleerd: eens goed nadenken en alles op een rijtje zetten. Als u er ook iets van geleerd hebt, mogen wij tevreden zijn.

De afsluiting van de viering: ‘Gaat nu alleen heen in vrede’

Met het gebed na de communie is de viering van de eucharistie ten einde. Wat gedaan moest worden is gedaan: het woord is verkondigd, het sacrament is gevierd. Nu volgt alleen nog de slotritus. Deze bestaat uit de groet en de zegen van de priester en de eigenlijke wegzending. Daarmee wordt de gemeenschap heengezonden “Opdat eenieder, de Heer lovend en zegenend; naar zijn dagelijkse bezigheden terug kan keren” (Alg. Inl., nr. 57b).

*Jubilate 21, 2 (mei 1988)

Cees Janssens

In de praktijk omvat de slotritus vaak nog méér elementen: op tal van plaatsen worden er vóór de zegen enkele mededelingen gedaan, dikwijls spreekt de priester nog een kort woord tot besluit, soms wordt er een slotlied gezongen.

Wie al deze elementen overziet komt al gauw tot de bevinding dat een goede vormgeving van de slotritus geen vanzelfsprekendheid is. Er zijn vele manieren om een dienst goed te besluiten, er zijn eveneens vele manieren om het minder goed te doen. Parallel aan de uitdrukking ‘een goed begin is het halve werk’ zou hier kunnen gelden ‘eind goed al goed’.

Mededelingen en slotwoord

Sommige mededelingen en aankondigingen horen thuis vóór of tijdens de dienst, andere kunnen het best in de slotritus een plaats krijgen. Het huidige missaal wijst deze plaats dan ook aan als de meest geschikte (Alg. Inl. nr. 123). De mogelijkheid bestaat dat de priester nog een slotwoord spreekt, zoiets als een zendingswoord (Alg. Inl. nr. 11). Enige terughoudendheid is hier wel op zijn plaats. Allerwegen hoort men klachten over het te verbale karakter van onze huidige liturgie. Wie een slotwoord wil spreken doe het in elk geval kort en terzake.

“Zegene u de Almachtige”

Het belangrijkste onderdeel van de slotritus is de zegen die de priester over de gemeenschap uitspreekt. Woord en gebaar zijn hier beide van belang. De viering mag niet als een nachtkaars uitgaan. De zegenbede worde markant gesproken en het bijbehorende gebaar zij welsprekend.

Bij bijzondere gelegenheden of feesten kan de zegen, die in feite een gebed is over het volk, worden uitgesproken in een plechtige, meer uitgebreide vorm. Het missaal biedt daarvoor twintig verschillende teksten. Het zou jammer zijn de hier geboden mogelijkheden niet te benutten.

Daarnaast biedt het missaal nog zesentwintig verschillende ‘gebeden over het volk’ waarvan bij de slotzegen gebruik kan worden gemaakt. Daarbij gaat het om gebeden waarin Gods bijstand wordt afgesmeekt over het volk, dat weer terugkeert naar zijn dagelijkse bezigheden. Schrijver dezes maakt er regelmatig gebruik van om jarige kerkgangers Gods beste zegen toe te bidden. Liturgie en leven kunnen nu eenmaal op zeer verscheiden wijzen samengaan.

De zegenbede kan door de priester ook worden gezongen. De onvolprezen Floris van der Putt heeft er bijzonder bruikbare zangwijzen voor geschreven. Het slot van de viering krijgt dan een liturgisch-muzikale afronding, die de vraag naar wel of geen slotlied al voor een stuk beantwoordt.

“Ite, missa est”

De laatste liturgische hervorming heeft de volgorde tussen zegen en wegzending omgekeerd, zodat nu op een meer logische manier de wegzending na de zegen wordt gesproken: “Gaat nu allen heen in vrede”.

Wanneer de zegen gezongen wordt ligt het voor de hand ook de wegzending te zingen. Deze teksten zijn in de bestaande muzikale zettingen dan ook terecht als een geheel behandeld, ook al neemt in voorkomende gevallen de diaken de honneurs waar bij de wegzending.

In de liturgie van Pasen wordt een dubbel Alleluia toegevoegd. Wie daarbij de oude gregoriaanse zangwijs wil gebruiken kan dit gemakkelijk doen uitgaande van een tekstlezing als deze: “Gaat nu allen heen, alleluia, a||eluia“; “God zij dank gebracht, alleluia, alleluia”. Goede liturgie kleurt mee met de tijd van het jaar, soms tot in de slotritus toe.

Zingen we nog iets na?

Strikt genomen past na de wegzending geen slotzang meer. Het ‘gaat nu allen heen in vrede’ betekent niet ‘en blijf nog even om te zingen’. De liturgische boeken zwijgen over een slotlied in alle talen. Hier is het allereerst de taak van de organist die dienst feestelijk af te sluiten.

In de praktijk verloopt een en ander soms niet precies volgens deze regels. Zeker wanneer de priester en zijn assistenten in processie de kerk verlaten is een dergelijke slotzang, parallel aan het lied bij de intocht, heel reëel. Bij bijzondere gelegenheden is het niet anders. Het Regina Coeli als een groet aan de Moeder van de verrezen Heer misstaat hier niet op de zondagen van de paastijd, zeker niet in dit Mariajaar. Het Ave Maria na de huwelijksdienst is alom bekend en geliefd. Beter hier, aan het einde, dan tijdens het communiceren! Waar feeling voor liturgie en goede smaak elkaar de hand reiken wordt altijd wel iets goeds geboren. Ook van de viering van de liturgie geldt dat we het goede niet mogen maken tot vijand van het betere.

De slotriten: einde én begin

De slotriten van een eucharistieviering vormen een tegenhanger van de openingsriten. Zoals we gezien hebben in het artikel over het openingslied zijn de openingsriten bedoeld om de verzamelde gelovigen, van verschillende herkomst en met totaal verschillende achtergronden, te vormen tot een gemeenschap: het volk Gods. Na de slotriten gaat dit volk Gods weer uiteen, ieder naar zijn of haar eigen plaats in de samenleving om daar uit te dragen wat in het afgelopen uur is gevierd.Lees verder