Gregoriaans: hoe nu?

In een vijftal artikelen zal in dit blad voor gewone zangers en dirigenten, dus in niet te moeilijke bewoordingen, uiteen worden gezet wat er nu eigenlijk aan de hand is met de vernieuwde interpretatie van het Gregoriaans. Het zal niet zozeer gaan om theoretische verhalen, dan wel om praktische aanwijzingen aan de hand van voorbeelden. Niemand hoeft zich dus bij voorbaat te laten afschrikken. Wat we ermee hopen te bereiken is: duidelijkheid over wat de wetenschap de laatste honderd jaren heeft achterhaald over de interpretatie van de handschriften, en vooral: geven van handreikingen, om daarmee in de gewone koorpraktijk iets te kunnen doen.

Jubilate 22, 1 (januari 1989)

Fr. Nico Wesselingh

De zin van deze artikelenserie is daarmee aangegeven. Maar er is nog iets anders. In 1989 zal het honderd jaar geleden zijn, dat het eerste deel van de Paleografie verscheen. Deze boekenserie, met reprodukties van handschriften, was het eerste grote wetenschappelijke werk voor de restauratie van het Gregoriaans. Er zijn plannen om dit eeuwfeest in ons land te gaan vieren met een congres en een tentoonstelling. In dit kader past dan heel goed deze serie artikelen. Althans: dat hopen we.

Historie

Maar wil men het onderzoek van de laatste eeuw naar waarde schatten, dan zal men iets moeten weten over de geschiedenis van het Gregoriaans.

Vooral omdat de waarde van de wetenschappelijke conclusies voor de praktijk, pas tegen het licht van die historie naar voren komt. Vandaar dat we in dit eerste artikel met reuzenschreden door de geschiedenis gaan, er alleen dat uitpikkend, wat voor het doel van deze artikelen van belang is.

Vanuit het niets?

Bij het Gregoriaans kunnen we niet spreken van componisten, zoals we die term in onze dagen hanteren. Er is hoegenaamd niets bekend over mensen die zich met het toonzetten van de liturgische teksten bezig hielden. Componist zijn was geen beroep. En van een opleiding tot componist was nog minder sprake. We moeten het zo zien: Toen de eerste christenen uit de Synagoge en de Tempel werden verdreven, hebben zij niet alleen de bijbelteksten meegenomen in hun eigen liturgie, maar ook de bijbehorende melodieën. Toen de christelijke liturgie naar andere landen (b.v. Griekenland en Rome) werd ‘geëxporteerd’, werden de melodieën spontaan (?) aangepast aan de nieuwe taal. Pas in de tijd van Gregorius de Grote (Paus van 590–604) komt er enige organisatie in de kerkzang en in de hele liturgie. Daarom is het Gregoriaans naar hem vernoemd; niet omdat hij er de componist van zou zijn. De liturgische kerkzang van de eerste christenen is dus niet vanuit het niets ontstaan: ze werd eenvoudig vanuit de traditie bepaald, met de nodige aanpassingen.

Uit het hoofd

Maar in al die tijd, tot aan de achtste eeuw, wordt er niets genoteerd wat de zangstukken betreft. Geen tekst, geen melodie. Alles werd eenvoudig door voorzingen aangeleerd (de z.g. viva-voce-methode). in de achtste eeuw komen dan de eerste perkamenten handschriften met alleen de teksten. Dan kon de zanger tenminste de tekst voor zich hebben, zodat hij zich meer kon concentreren op de melodie. Die melodie werd geheel uit het hoofd gezongen. Waarom werd die melodie dan niet gelijk met de teksten genoteerd, zult u vragen. Eenvoudig, omdat in onze westerse cultuur geen systeem bestond om melodieën te noteren.

Ritmische aanwijzingen

In de negende eeuw komen er handschriften, waarbij boven de tekst tekens zijn geplaatst. Het repertoire is dan inmiddels zo uitgebreid, dat uit het hoofd leren steeds moeilijker wordt. Daarom een poging om de zanger te helpen. Als u nu denkt dat deze tekens exact de melodie bepaalden, dan vergist u zich. Kennelijk hadden de zangers meer behoefte om allerlei ritmische nuanceringen voor zich te zien. Waaruit blijkt, en dat is belangrijk, dat het ritme van het Gregoriaans (langere noten, kortere noten etc.) in de toenmalige uitvoering zeer ontwikkeld was, en niet aan de willekeur van de zanger(s) werd overgelaten. In verschillende streken van Europa zien we van elkaar afwijkende notatiesystemen ontstaan. Er is geen enkele reden om niet aan te nemen dat deze systemen geheel los van elkaar zijn ontstaan. Maar wat blijkt nu? De aanwijzingen van b.v. de Duitse en de Franse handschriften verschillen in wezen nauwelijks van elkaar. Waaruit de conclusie moet worden getrokken dat in verschillende taalgebieden de melodieën en ook het ritme in grote lijnen met elkaar overeenkwamen. Dat verhoogt uiteraard de betrouwbaarheid van de handschriften, als men via die weg de originele melodie wil gaan bepalen.

Vergelijken

Als voorbeeld drukken we hier nu enkele regels af uit een Duits handschrift (Sankt Gallen, rond het jaar 900) en dezelfde regels uit ons gewone Graduale. Zo valt gemakkelijk een vergelijking te maken met het notenbeeld (nou ja), dat de middeleeuwse zangers voor ogen hadden en het beeld dat wij nu kennen. Het woord ‘Liberasti’ telt drie losse noten en een groep op het woordaccent. Het volgende woord ‘in’ heeft ook één losse noot. In het handschrift ziet u al die losse noten op dezelfde hoogte staan. In ons notenbeeld is dat niet zo. Van de groep op het woordaccent kon de zanger zien dat de tweede noot hoger was dan de eerste, maar hoeveel… dat moest hij weten. Er viel dus wel iets van toonhoogte in te ontdekken, maar alleen binnen een notengroep. Wie goed kijkt, ziet ook nog letters in de handschriften staan op het woord Liberasti een die verderop ook nog wat keren terugkomt. Letters zijn aanduidingen, meestal voor het ritme, soms voor de toonhoogte. De hier gebruikte ‘c’ betekent: celeriter, dat is ‘snel’, ‘niet verbreden’. Over die letters straks nog iets meer.

Vers uit het Graduale Tupesaat, zoals in het handschrift van Sankt-Gallen…

Vers uit het Graduale Tupesaat, zoals in het handschrift van Sankt-Gallen…

gregoriaans_hoe_2

.…en zoals in ons huidige Graduale Romanum 1 (p. 276).

Spijkerschrift?

Wie zonder kennis van zaken de handschrifttekens beziet, denkt waarschijnlijk aan een soort primitief spijkerschrift. Maar wie hier studie van maakt, komt tot de conclusie, dat het hier een zeer uitgekiend systeem van ritmische aanduidingen betreft, veel genuanceerder dan wij in onze praktijk kennen. Wie denkt, dat de schrijvers (er is hier sprake van afschrijvers, niet van componisten; de composities bestonden vaak al honderden jaren) zomaar wat tekens gebruikten, vergist zich deerlijk. Om een klein voorbeeld te geven: de torculus van ons notenbeeld wordt in de Duitse handschriften op vijf verschillende wijzen aangegeven:gregoriaans_hoe_3

Elke schrijfwijze van de torculus heeft zijn eigen betekenis. We komen daar nog wel eens op terug. Handschriften spijkerschrift? Wat het ritme betreft is het eerder andersom: ons huidige notenschrift is spijkerschrift.

Begin van het einde

Toen het repertoire steeds groter werd, werd ook de behoefte om de toonhoogte exact te noteren steeds groter. Allerhande pogingen werden ondernomen, waarvan uiteindelijk alleen het lijnensysteem van Guido van Arezzo (twaalfde eeuw) is blijven bestaan. Het lijnensysteem voldoet aan wat het bedoelde te geven: een exacte notering van de melodie. Maar helaas, de verfijnde wijze waarop in de handschriften het ritme werd aangegeven, werd daarmee overboord gegooid. We moeten aannemen, dat in de tijd van Guido van Arezzo (opkomst meerstemmigheid) dat verfijnde ritme al niet meer zo in zwang was. Men probeerde steeds weer het Gregoriaans aan te passen aan de smaak van de tijd. Maar steeds verder raakte de wijze van zingen verwijderd van wat de handschriften ons leerden. De geschiedenis van het Gregoriaans tussen de twaalfde en negentiende eeuw is een aaneenschakeling van pogingen om de ware melodieën te herstellen. Maar evenzovaak mislukte dat, omdat men niet alleen geen handschriften meer gebruikte, maar bovendien ook helemaal niet meer wist wat de tekens in die handschriften beduidden. Eureka, de sleutel werd gevonden op 18 december 1847. Toen werd het handschrift van Montpellier teruggevonden, dat bevatte naast de gebruikelijke handschrifttekens ook toonhoogteletters. Weer later werd een brief teruggevonden van een monnik, genaamd Notker Balbulus (Notker de Stotteraar), die in de tiende eeuw aan een medebroeder in een ander klooster op diens verzoek uitleg geeft van de ruim tien gebruikte letters en de tientallen combinaties daarvan in de Duitse handschriften. Deze twee vondsten waren het startsein voor een hernieuwd onderzoek naar de betekenis van de handschriften, een onderzoek waar een aantal mensen hun levenswerk van hebben gemaakt, en dat tot op de dag van vandaag verder gaat.